Ik ken er steeds meer, mensen die hun waardigheid hebben verloren en om de één of andere reden aan de zijlijn van de maatschappij zijn komen te staan. In zekere zin wordt er heel goed voor deze mensen gezorgd. Psychiaters, psychologen, maatschappelijk werkers en andere vormen van professionele hulp zorgen dat een groot deel van de mensen in onze maatschappij toegang heeft tot allerlei basisvoorzieningen. Toch is er mijns inziens een keerzijde aan deze medaille en m isschien kan ik het dat het beste uitleggen aan de hand van een praktijkvoorbeeld.

R. woont een paar straten bij ons gezin vandaan. In een blokje woningen wat speciaal voor mensen als R. is gebouwd. Alleenstaanden die vaak kampen met psychosociale problemen en die toch de mogelijkheid hebben om min of meer zelfstandig te wonen. R. is een sterke dertiger die vanaf zijn zeventiende jaar is gediagnoseerd met schizofrenie – een afschuwelijke ziekte met zo af en toe een psychose wat zorgt voor een vreselijke terugval in functioneren. In vergelijking met landen op een ander continent wordt er buitengewoon goed gezorgd voor R. En toch mist hij een stukje waardigheid. In alle goede en goedbedoelde zorg is hij toch steeds de patiënt en zijn g esprekspartner vaak de hulpverlener.

Elke vrijdagavond voetbal ik met een groep mannen van boven de vijfendertig in een nieuwe, door de KNVB uitgedachte formule: 7×7 voetbal op een half veld. Voor mij als veertiger én voetbalfan een mogelijkheid om (met aangepaste omstandigheden) nog het beste uit mezelf te persen en te genieten van een heerlijk potje voetbal. Ik begon R. mee te vragen en dat heeft me erg veel geleerd over zijn situatie en die van zovelen met hem. R. is een goede voetballer en speelt elke vrijdagavond of het om de finale van de Champions League gaat: vol passie en overgave, ondanks zijn fysieke beperkingen. Zijn medicijngebruik zorgt ervoor dat zijn conditie niet optimaal is. Op vrijdagavond is R. even geen patiënt maar een waardevolle voetballer die iedereen graag in het team wil hebben. Moest ik de eerste maanden nog erg trekken aan R. om mee te komen, inmiddels is hij zo vergroeit met de groep dat hij zelfs gaat als ik er een keertje niet bij kan zijn. Zijn teamgenoten zijn inmiddels op de hoogte van zijn situatie en nemen dat mee in hun oordeel als R. in zijn enthousiasme een enkele keer iets te fel doorgaat in een gevecht om de bal. Dat eenvoudige potje voetbal heeft R. een paar uur in de week zijn waardigheid teruggegeven en leert d e andere spelers hoe men om kan gaan met een leuke gast dier toevallig lijdt aan schizofrenie.

Jammer genoeg is het maar één keer in de week vrijdag en de andere dagen van de week moet R. het doen met zijn kleine, uitgedunde groepje vrienden. Natuurlijk ook allemaal mensen met een psychosociale aandoening. R. staat buiten de maatschappij, veel beslissingen worden óver hem genomen en hij is afhankelijk van professionele hulp. Het raakt me.

Ik zie veel in een begrip als de participatiesamenleving. En nee, niet omdat Rutte dat oude begrip recentelijk weer eens in de magnetron heeft gestopt, maar omdat ik geloof dat teveel professionele zorg kan leiden tot vereenzaming én het verlies van waardigheid. De timmerman uit onze kerk die door een beroerte op jonge leeftijd arbeidsongeschikt werd verklaart kan nog net zo goed timmeren als daarvoor. Het is een vakman! Maar niet meer zo snel en dat blokkeert zijn kansen op de arbeidsmarkt. R. is loodgieter en kan best klusjes doen die hem een gevoel van waardigheid geven. Maar te vaak moet dat in de omgeving van een sociale werkplaats en dat is voor mensen a ls R. of de genoemde timmerman juist een plek waar de eigen waardigheid sneuvelt.

Een participatiesamenleving is in mijn beleving een paradigmaverandering van ‘zorgen voor’ naar ‘zorgen dat’. Zorgen dat R. bijvoorbeeld een eigen bedrijfje start (onder begeleiding) waarbij hij zijn werk kan uitoefenen. In loondienst is dat niet haalbaar, maar als eigen ondernemer met een eigenzinnige niche (goed maar wat trager) is hij bijzonder geschikt. En nee, R. kan niet elke dag werken, maar kan wel heel goed leren hoe hij bijvoorbeeld een of twee klussen per week zou kunnen doen. Daarnaast zouden de R’s van onze wijk opgenomen kunnen worden in een soort onzichtbare kloosterstructuur van gezinnen en alleengaanden die zich aan elkaar verbinden en mét elkaar leven. Soms bij elkaar over de vloer en soms even niet. Want eerlijk is eerlijk: ik kan R. niet elke dag over de vloer hebben. Maar als we samen gaan voor een echte samenleving waar de w aardigheid van elk mens centraal staat, dan zullen we onze wijken anders moeten inrichten.

Ik droom van een samenleving waar we elk mens waarderen en dat ook laten zien. Het gebrek aan waardigheid is misschien wel de grooste ziekte van onze cultuur.

“Dream up the kind of world you want to live in. Dream out loud.” ― Bono.